van Kruijl.com

van Kruijl - Generatie 8

VIII.1. Gerrit van Kruijl, geboren Utrecht 6 februari 1795, gedoopt Utrecht (Domkerk) 11 februari 1795, overleden Bodegraven 26 januari 1853 (acte-nr.: 4), woonachtig te Utrecht (1795-1811), vermoedelijk Deventer (1812/1813), Maarssen (1814), Amerongen (1815-1817), Leerdam (1818-1821), Elden en Driel (1821-1823), Bodegraven (vanaf 1823), Onderwijzer, ondertrouwt 1e Leerdam 11 december 1825, trouwt 1e Leerdam 8 januari 1826 (acte-nr.: 1) Johanna van Lobberecht, geboren Leerdam 30 januari 1804, gedoopt Leerdam 5 februari 1804, overleden Leerdam 18 november 1828, ondertrouwt 2e Bodegraven 16 augustus 1829, trouwt 2e Bodegraven 4 september 1829 (acte-nr.: 32) Grietje van Vliet, geboren Weesp 3 april 1807, gedoopt Weesp 5 april 1807, overleden Bodegraven 12 januari 1833, ondertrouwt 3e Bodegraven 22 maart 1835, trouwt 3e Bodegraven 3 april 1835 (acte-nr.: 8) Jannetje van 't Hof, geboren Waddinxveen 3 december 1816, overleden Bodegraven 2 augustus 1894 (acte-nr.: 61).

Uit het 1e huwelijk:

VIII.1.a. Johannes Cornelis van Kruijl, geboren Leerdam 3 oktober 1826, overleden Bodegraven 9 april 1833.

VIII.1.b. Hendricus Adrianus van Kruijl, geboren Bodegraven 24 oktober 1827 (acte-nr.: 84), overleden Bodegraven 12 maart 1830.

Uit het 2e huwelijk:

VIII.1.c. Jacob van Kruijl, geboren Bodegraven 28 oktober 1829 (acte-nr.: 85), overleden Bodegraven 21 mei 1855 (acte-nr.: 49), woonachtig te Bodegraven, Linschoten, Knecht, Schoenmaker (ongehuwd gestorven).

VIII.1.d. Hendrik van Kruijl, geboren Bodegraven 28 januari 1831 (acte-nr.: 11), overleden Bodegraven 19 maart 1833.

VIII.1.e. Cornelia van Kruijl, geboren Bodegraven 19 juli 1832 (acte-nr.: 46), overleden Bodegraven 5 januari 1833.

Uit het 3e huwelijk

VIII.1.f. Cornelia Johanna van Kruijl; zie IX.1.

VIII.1.g. Anna Hendrika van Kruijl, geboren Bodegraven 19 april 1837 (acte-nr.: 34), overleden Bodegraven 1 maart 1923 (acte-nr.: 17), woonachtig te Bodegraven, trouwt Bodegraven 26 maart 1859 (acte-nr.: 6) Jacobus Blaazer, geboren Zwammerdam 23 november 1834, overleden Bodegraven 8 oktober 1918 (acte-nr.: 69), Nachtwaker, Kantonnier, Tuinman.

VIII.1.h. Catherina Gerarda van Kruijl,  geboren Bodegraven 14 september 1838 (acte-nr.: 71), overleden Barwoutswaarder 31 maart 1912, woonachtig te Bodegraven, Nieuwerkerk a/d IJssel, Zwammerdam, Barwoutswaarder, Dienstbode, trouwt Bodegraven 17 november 1882 Arie Pieter Kriege, geboren Barwoutswaarder 5 oktober 1848, overleden Barwoutswaarder 2 juni 1916, Klompenmaker.

VIII.1.i. Johanna van Kruijl; Zie IX.2

VIII.1.j. Johannes Cornelis van Kruijl;  zie IX.3

VIII.1.k. Gerrit van Kruijl; zie IX.4

VIII.1.l. Hendrika Antoinette van Kruijl,
geboren Bodegraven 16 september 1847 (acte-nr.:65), overleden Bodegraven 11 juni 1853 (acte-nr.: 14)

VIII.1.m. Alida van Kruijl,
geboren Bodegraven 2 april 1850 (acte-nr.: 30), overleden Bodegraven 7 maart 1853 (acte-nr.: 14)

VIII.1. Jannetje van Kruijl;
zie IX.5



Inleiding

Gerrit van Kruijl komt in diverse bronnen voor. Met name van de periode dat hij onderwijzer was is veel archiefmateriaal voorhanden. Soms gaat het daarbij om een snippertje informatie, in andere gevallen betreft het een verslag, een proces verbaal of een uitgebreide correspondentie. Daarmee is hij met afstand de best gedocumenteerde persoon in deze genealogie. Aan de hand van al die gegevens kan een belangrijk deel van zijn (onderwijzers)bestaan gereconstrueerd worden.

Familie en gezinsleven

Zijn moeder sterft al kort na zijn geboorte in 1795. Van de daaropvolgende vijftien jaar zijn geen gegevens over Gerrit gevonden. Op 5 juni 1810 wordt hij als recruut aangenomen bij het 1e regiment Jagers. Hij geeft zich dan uit voor een 18-jarige, terwijl hij op dat moment pas 15 is. Lang voor zijn leeftijd (ruim 1,62 m.), voor die periode althans, zal hij dat ook best een poosje voorgewend kunnen hebben. Zijn onderwijzersexamen in oktober van dat jaar toont aan dat het met die militaire loopbaan snel was afgelopen.

Als zijn stiefmoeder in 1811 elders in Utrecht sterft, woont Gerrit, net als zijn vader, bij zijn grootvader Gerrit van Kruijl in diens kosterswoning (hij doet dan samen met zijn nicht Gerarda Catharina Lena, die ook bij haar grootvader woont, belijdenis). In 1813 woont hij, evenals zijn nicht Gerarda Catharina Lena, niet meer in Utrecht.

Deze nicht blijkt later evenwel lange tijd in Deventer te wonen bij haar tante Johanna van Kruijl. Johanna van Kruijl was getrouwd met Cornelis de Jongh die, sinds 1809, onderwijzer was van de Stadsarmenschool in Deventer.

Zo tegen het einde van 1812 blijken bij dit - kinderloze - echtpaar een jongen en een meisje te wonen, waarvan helaas de namen niet zijn vermeld.

Aangezien de beide kinderen zich op dat moment niet in Utrecht bevinden en Gerarda Catharina Lena ook later een aantal jaren bij haar tante inwoont, is het zeer waarschijnlijk dat Gerrit en diens nicht Gerarda Catharina Lena de woning van hun grootvader hebben verlaten en dat hun opvoeding verder plaatsvond door hun oom en tante.

Een extra aanwijzing hiervoor kan nog worden gevonden in het gegeven dat de opleiding tot onderwijzer in die tijd veelal plaatsvond door een familielid, net als overigens in veel andere beroepen het geval was (zoals een aantal generaties meestersmeden die hem voorafgingen). In dit geval is het zeer waarschijnlijk dat Gerrit de onderwijzersopleiding deels van zijn oom in Deventer heeft gekregen.

Nog een sterke aanwijzing vormt het gegeven dat als zijn tante Johanna overlijdt, de notaris aangeeft dat er drie wettige erfgenamen zijn: twee nichten en neef Gerrit. Dit is vreemd want de halfbroer van Gerrit, Jan, leeft dan nog en is eveneens een volle neef. Dit kan duiden op een verbroken contact tussen de twee halfbroers, mogelijk al sinds de scheiding in hun jeugd rond 1812, mogelijk zelfs al eerder (zijn stiefmoeder is tussen 1802 en 1803 voor een jaar en alleen naar Woerden vertrokken, dus is het mogelijk dat de opvoeding van zijn broer Jan al eerder door familie van diens moeder is overgenomen).

Bij zijn aanmelding voor de nationale militie, begin 1814, woont hij in Maarssen.

Vervolgens bevindt Gerrit zich in Amerongen (vanaf ongeveer het einde van 1814 tot eind 1817), woont echter in 1817 weer bij zijn grootvader, vervolgens in Leerdam (vanaf 1818 tot 1821) en Elden en Driel (van 1821 tot april 1823).

In 1824 en 1825 is hij nog in Utrecht voor de afhandeling van de nalatenschap van zijn vader en van zijn grootvader. Hij is op dat moment onderwijzer in de Bodegraafsche Meije en zal het onderwijzersberoep daar verder tot aan zijn dood blijven uitoefenen.

In januari 1826 treedt hij in het huwelijk met Johanna van Lobberecht. Dit huwelijk vindt plaats in haar geboorteplaats Leerdam. Zij wordt in mei 1826 als lidmaat van de hervormde gemeente van Bodegraven aangenomen, terwijl in oktober 1826, zo'n negen maanden na hun huwelijk, hun eerste kind in Leerdam wordt geboren. Een jaar later volgt nog een tweede kind, waarna Johanna in 1828 overlijdt.

Ruim 10 maanden later hertrouwt Gerrit met Grietje van Vliet, die op dat moment al zo'n 7 maanden zwanger moet zijn geweest van haar eerste kind Jacob.

Bij de door Gerrit overlegde ondertrouwgegevens is een "Certificaat van de Nationale Militie". Hierin staat onder andere aangegeven dat Gerrit is uitgeloot voor deze dienstplicht.

Certificaat van de Nationale Militie.

Voor een beschrijving van zijn uiterlijk werd op dit certificaat ook een signalement opgesteld. Het signalement van Gerrit van Kruijl luidde als volgt: "Lengte 1 El 8 Palm, Aangezigt Ovaal, Voorhoofd rond, Oogen zwart, Neus ordinair, Mond idem, Kin rond, Haar zwart, Wenkbraauwen idem, Merkbare teekenen pokdalig". Hij was dus 1 meter 80.

In trouwactes bij twee van zijn drie huwelijken laat Gerrit een passage opnemen over de juiste spelling van zijn achternaam en die van zijn moeder. Zijn naam is bij zijn doop namelijk abusievelijk als "van Kruil" opgenomen en de naam van zijn moeder is bij haar overlijden als "Pinsen" in plaats van "Pinken" genoteerd. Aangezien deze gegevens onderdeel uitmaakten van de bij de ondertrouw te overleggen gegevens, wilde Gerrit geen onzekerheid laten bestaan over de juiste schrijfwijze.

Overigens laat hij bij zijn huwelijk ook weten dat de woonplaats en plaats van overlijden van zijn grootouders hem onbekend zijn. Gezien de ondertekening van de Memorie van Nalatenschap van zijn grootvader Gerrit van Kruijl (zie VI.1) en zijn handtekening onder die acte van 25 juli 1825) moeten deze gegevens hem in het geval van deze grootvader bekend zijn geweest.

In 1830 overlijdt zijn zoon Hendricus Adrianus, in 1831 en 1832 komen er weer kinderen (Hendrik en Cornelia) bij.

Kort daarna wordt het gezin in 1833 vermoedelijk getroffen door de - dan in heel Europa heersende - cholera-epidemie. In januari 1833 sterven zijn vrouw Grietje en hun dochtertje Cornelia, in maart en april van dat jaar verliest hij zijn twee zoons Hendrik en Johannes Cornelis. Hij blijft dan met zijn zoontje Jacob achter.

Behoeftige omstandigheden en ziekte- en sterfgevallen zijn vanaf 1939 ook een terugkerend onderwerp in onder andere brieven van Gerrit aan de koningen Willem I, II en III (zie ook het onderdeel "inkomen").

Nog geen twee maanden na zijn huwelijk met Jannetje van 't Hof in 1835, komt hun dochter ter wereld. Uit dit huwelijk worden in totaal 9 kinderen geboren. Het laatste kind, Jannetje, wordt in 1853 geboren na de dood van haar vader. In 1853 overlijden Gerrit en twee van zijn kinderen.

Jannetje van 't Hof woont daarna als hoofd van het resterende gezin in Bodegraven, echter wel in een andere woning want al snel komt er in 1853 een nieuwe onderwijzer in het dorp, die zijn intrek neemt in de onderwijzerswoning. Na het vertrek van haar kinderen Jannetje en Gerrit en het overlijden van haar dochter Cornelia Johanna, trekt zij in bij haar dochter Anna Hendrika, waar zij in 1894 overlijdt.

Gerrit als onderwijzer

Om een indruk te krijgen van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder Gerrit onderwijs heeft gegeven, is dankbaar gebruik gemaakt van de jaarverslagen en de - meer gedetailleerde - viermaandelijkse verslagen van de schoolopzieners.

Over de tweeënveertig jaar dat Gerrit onderwijzer was, is het nodige terug te vinden in die verslagen en ook in het tijdschrift speciaal bedoeld voor onderwijzers: "Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in holland".

De school in Bodegraven was het startpunt van het onderzoek. Het werd al snel duidelijk dat hij, voor zijn aanstelling in Bodegraven, ook elders in het onderwijs werkzaam moest zijn geweest.

Concrete aanwijzingen naar zijn eerdere standplaatsen ontbraken echter. Er zat daarom niets anders op dan de tientallen viermaandelijkse verslagen van de provincies Utrecht en Zuid-Holland integraal door te nemen. Dat gold ook voor de verschillende (omvangrijke) jaargangen van het onderwijzerstijdschrift.

In combinatie met aanvullende gegevens uit de lidmaatregisters van Leerdam en Bodegraven bleek het mogelijk een groot deel van zijn onderwijscarrière te reconstrueren in drie provincies.

Op 17 oktober 1810 doet Gerrit, vijftien jaar oud, met succes examen voor de derde onderwijzersrang. Op dat moment woont hij in Utrecht en is hij daar kwekeling bij meester van Schaik. Een lijst met geslaagden werd periodiek gepubliceerd in de "Bijdragen ter bevordering etc."

Publicatie van het examen van Gerrit van Kruijl.

Zoals hiervoor al bleek, woont hij in 1811 nog in Utrecht, doch is in 1812 en 1813 vermoedelijk bij zijn oom en tante in Deventer. Begin 1814 woont hij in Maarssen, mogelijk bij de weduwnaar van een nicht van zijn vader.

Het blijkt dat Gerrit van Kruijl al in 1815 in Amerongen ondermeester was op de school van meester Hendrik de Ridder. Uit de verslagen van de schoolopziener Jacob van Manen valt op te maken dat hij er in het najaar van 1815 nog niet zo lang was gevestigd "Ik bemerk reeds vorderingen in zijne geschiktheid sedert hij dit school heeft waargenomen". Dit stemt overeen met de inschrijving van de attestatie van Utrecht, gedateerd 10 april 1815, in het lidmaatregister van de hervormde gemeente van Amerongen. Aangezien de inschrijving in het lidmatenregister wat later plaatsvond dan de daadwerkelijke indiensttreding zal Gerrit begin 1815 in Amerongen zijn gearriveerd.

Meester de Ridder, die geen onderwijzersrang bezat, was zoveel tijd kwijt aan een rentmeesterschap, dat hij zijn school liet waarnemen door zijn ondermeester Gerrit van Kruijl, toen al in het bezit van de derde onderwijzersrang.

Uit de verslagen van de opziener komt Gerrit naar voren als een onderwijzer die het meer moet hebben van zijn vlijt, dan van zijn intelligentie: "geen overvlieger in vernuft en kennisse". Wel blijkt hij populair te zijn bij de ouders van zijn leerlingen en heeft hij goede contacten met bijvoorbeeld de predikant Koolhaas. Zo kon hij met een schenking van de predikant zijn leerlingen openlijk examen laten doen met een prijsuitreiking tot besluit.

Openlijk examen te Amerongen in 1816.

Meester de Ridder heeft de schoolopziener nog in september 1817 toevertrouwd, blij te zijn dat Gerrit voor zijn school behouden kon blijven ondanks een vacature die in de omgeving van Amerongen was ontstaan.

Het door meester de Ridder gesignaleerde tekort aan goede ondermeesters heeft er vermoedelijk toch toe geleid dat Gerrit in december 1817 is vertrokken naar een andere standplaats. Een vage aanwijzing voor een andere reden voor zijn vertrek wordt gesuggereerd in een proces verbaal van een vergelijkend examen in 1821.

Nader onderzoek leert dat Gerrit op 28 april 1818 in Kesteren vergelijkend examen moet doen met andere kandidaten voor de vervulling van een vacature in Kesteren. Hij wordt dan aangeduid als ondermeester te Elst. Dat blijkt inderdaad te kloppen.

Onderwijzer Van Veenendaal van de school in Elst, een bijschool onder Rhenen, heeft het zo druk met tabaksplantages dat zijn school eigenlijk alleen in de winter open is. Veel van de wat oudere leerlingen helpen in de zomer ook op de tabaksplantages. Om de school toch wat langer open te kunnen houden werd Gerrit van Kruijl als ondermeester (eigenlijk waarnemer) van de school binnengehaald.

Dat Gerrit deze functie in Elst niet voor langere tijd wil blijven uitoefenen blijkt wel uit het verslag van de schoolopziener van april 1818. Volgens de schoolopziener "zal het goed zijn voor de school, dat de ondermeester nog langer blijft en ook den zomer door schoolhoudt" maar dat kan alleen "zoolang de ondermeester niet slaagt in zijnen sollicitatien naar andere vacatures". In het volgende verslag meldt de schoolopziener het vertrek van Gerrit in mei 1818. Dat klopt aardig met de lidmaatregisters van de hervormde gemeente van Amerongen. Daar staat een vermelding van het vertrek met attestatie op 4 mei 1818 naar Utrecht.

Vergelijkend examen in Kesteren.

Volgens de lidmaatregisters van de hervormde gemeente van Leerdam moet Gerrit zich daar omstreeks 1818 hebben gevestigd. Het is vast geen toeval dat zijn eerste vrouw een Leerdamse was. In de circa 3 jaar dat hij zich in Leerdam bevond moet hij haar hebben leren kennen, gezien haar leeftijd misschien zelfs nog als leerling.

In de verslagen van de schoolopziener G.W. Boot komt Gerrit het eerst ter sprake in het najaarjaarsverslag van 1818 na een bezoek begin augustus. Gerrit blijkt dan, afkomstig van de school in Amerongen, als ondermeester werkzaam te zijn bij meester Bazendijk.

Deze meester Bazendijk had in het oktober-nummer (jaargang 1817) van de "Nieuwe bijdragen...etc." nog een advertentie geplaatst waarin hij vroeg om een ondermeester voor zijn Fransche School.

Op 4 maart 1819 doet Gerrit - ondermeester te Leerdam- samen met een aantal anderen vergelijkend examen voor de functie van onderwijzer en koster/voorzanger in Ermelo. Hij is dan geen serieuze kanshebber.

Gerrit houdt zich in Leerdam voornamelijk bezig met de (kleine) Fransche school. Het verslag vermeldt verder dat Gerrit al sinds 1810 zijn derde onderwijzersrang heeft. Gerrit onderwijst naast het spellen, lezen, schrijven en rekenen ook de beginselen van de franse taal, later ook wat aardrijkskunde.

De opziener schrijft zowel in het najaarsverslag als in het voorjaarsverslag van 1819, dat het onderwijs vrij goed is, maar wel op een ouderwetse manier wordt gegeven.

Op 2 februari 1820 vindt er een vergelijkend examen plaats in het Brabantse 's Gravemoer. Gerrit had, als "secondant te Leerdam", wel op deze functie gesolliciteerd maar kwam bij het examen niet opdagen.

Het eerstvolgende verslag waarin de school in Leerdam wordt genoemd is van voorjaar 1820. Op dat moment is meester Bazendijk klaarblijkelijk op zoek naar een nieuwe ondermeester voor zijn inmiddels verlopen Fransche school.

Dit suggereert dat Gerrit op dat moment geen ondermeester meer is in Leerdam, hij wordt in het verslag ook niet genoemd.

Vreemd is het echter wel dat Gerrit weer opduikt in het najaarsverslag van 1820 (het zomerverslag van 1820 maakt helaas geen melding van de school in Leerdam).

De opziener vindt dat de Fransche school door "den vrij bekwamen ..... van Kruil" "zeer goed wordt bediend". De vraag is wat zich in 1819 heeft voorgedaan. Heeft Gerrit elders gewerkt, was hij dat jaar ziek of had hij gewoon geen tijd voor de Fransche School?

In ieder geval is Gerrit toch op zoek naar een andere baan.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij op 18 september 1820 in Neder-Hemert vergelijkend examen aflegt voor een nieuwe betrekking.

Op dat moment is hij, volgens eigen opgave, nog ondermeester in Leerdam. Bij dit vergelijkend examen zijn in totaal vijf kandidaten opgekomen. In de totaalstand staat Gerrit op een tweede plaats. Uit het proces verbaal van het examen blijkt dat met name in het waarnemen van de kerkdienst de nummer één beter geschikt was.

Vergelijkend examen in Neder-Hemert.

Op 6 december 1820 vindt er een vergelijkende examen plaats in het brabantse Vrijhoeven Capel. Ook nu had Gerrit, als "ondermeester in de Fransche kostschool te Leerdam", op deze functie gesolliciteerd. Maar net als bij de functie van 's Gravemoer was hij op de dag zelf geen deelnemer aan het examen.

In het voorjaarsverlag van 1821 is het oordeel over Gerrit iets minder positief: "middelmatig goed". In dit verslag wordt gesproken over het voornemen van meester Bazendijk om zijn post neer te leggen.

Dit moet in februari 1821 daadwerkelijk zijn gebeurd, want de schout van Leerdam verzoekt meester Aart Kooyman de school vanaf maart waar te nemen.

Volgens het zomerverslag zijn op 12 april 4 sollicitanten door de opziener vergelijkend geëxamineerd.

Het najaarsverslag meldt tenslotte dat de onderwijzersplaats van meester Bazendijk is vervuld. Kennelijk werd daarbij gelijktijdig de ondermeester vervangen, want Gerrit verdwijnt uit Leerdam.

Op 1 mei 1821 legt Gerrit in Utrecht een vergelijkend examen af voor een vacature die in Hondswijk is ontstaan. Op dat moment geeft hij nog op dat hij ondermeester is in Leerdam. Hier moet echter rekening gehouden worden met de tijd die zit tussen het schrijven van de sollicitatiebrief en dat examen.

Uit het proces verbaal van het vergelijkend examen blijkt dat zowel Van Noort als Gerrit van Kruijl voldoen. Van Noort heeft het grote voordeel dat hij de school al een tijdje waarneemt. Daarnaast geeft de schoolopziener in bedekte termen aan dat "het echter voor van Kruijl beter [zou] zijn elders, dan in het vierde district geplaatst te zijn, daar de reden om welke hij dat district voor drie jaren verliet, nog bestaat". Helaas wordt de reden zelf niet vermeld, dus wat er in 1818 is gebeurd, blijft onduidelijk. Wel is duidelijk dat mede daardoor uiteindelijk niet voor Gerrit wordt gekozen.

Vergelijkend examen voor Hondswijk.

Dan volgt op 25 juli 1821 een vergelijkend examen voor een vacature in Erichem. Daar blijkt voor het eerst dat hij geen ondermeester meer is in Leerdam. Gerrit geeft dan namelijk op "thans buiten vaste bediening" te zijn. Volgens het proces verbaal van het vergelijkend examen van die dag is Gerrit van Kruijl één van de drie kandidaten, die elk van zodanig gelijk niveau zijn dat het plaatselijk bestuur en de schoolopziener niet kunnen beslissen voor welk van de drie zij een voordracht aan de minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën zullen doen.

Vergelijkend examen in Erichem.

De lidmaatregisters van de hervormde gemeente van Leerdam vermelden de inschrijving van Gerrit in november 1821 naar Driel (gemeente Elden en Driel). Dus op enig moment zal Gerrit daar een betrekking hebben gevonden.

Helaas zijn de verslagen van de schoolopzieners in de provincie Gelderland verloren gegaan. Zijn verrichtingen in Driel blijven dus onbekend. Wel wordt in het verslag van de commissie van onderwijs nog melding gemaakt van het ontslag (in april 1823) van onderwijzer Adrianus van Niftrik in de gemeente Driel, die zich aan mishandeling van zijn leerlingen en drankmisbruik zou hebben schuldig gemaakt.

Op 3 juni 1822 is Gerrit van Kruijl weer aanwezig bij een vergelijkend examen. Dit maal in Willige Langerak. Gerrit verliest het hier van een kandidaat die bij de ambachtsheer, schout, predikant en ingezetenen bekend staat om zijn "voorbeeldig zedelijk gedrag" en dat wordt belangrijk gevonden voor het waarnemen van de kerkdienst.

In oktober 1822 krijgt het plaatselijk bestuur van Linschoten van het provinciaal bestuur van de provincie Utrecht toestemming om een oplossing te zoeken voor de geschorste onderwijzer Gerwig, over wie veel klachten over misbruik van sterke drank waren binnengekomen. Later blijkt dat Gerrit van Kruijl de functie van de geschorste onderwijzer tijdelijk heeft waargenomen.

Aangezien een ondermeester meestal door de onderwijzer werd betaald, raakt Gerrit vermoedelijk door het ontslag van onderwijzer Adrianus van Nifterik in Driel zijn ondermeesterspositie kwijt. Zeker is dat er in juni 1823 van de nieuw ontstane vacature melding wordt gemaakt in de "Nieuwe bijdragen etc.".

In maart 1823 wordt in het maandelijkse tijdschrift "Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in de vereenigde Nederlanden voor den jare 1823" een vacature gemeld op de school in de Bodegraafsche Meije.

Vacature in Bodegraven.

Gelet op de ontwikkelingen in Driel zal Gerrit niet lang na april 1823 op deze positie hebben gesolliciteerd.

In het proces verbaal van het vergelijkend examen van 27 mei 1823 worden vier kandidaten genoemd. Onder hen bevindt zich ook Gerrit van Kruijl "provisioneel waarnemende de school te Linschoten". Het examen wordt afgelegd in het "regthuis" van Bodegraven, waarbij, naast de schoolopziener, ook de schout, leden van het polderbestuur van de Meijepolder (de school in de Meije was ooit door dat polderbestuur opgericht), de plaatselijke schoolcommissie en onderwijzers van de andere scholen in Bodegraven, aanwezig waren. Zij zijn het er unaniem over eens dat Gerrit van Kruijl de geschiktste en bekwaamste van de kandidaten is.

Dat advies wordt op 6 juni 1823 door de Gouverneur van de provincie Zuid-Holland aan de minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën gezonden. Op 18 juni 1823 wordt namens de minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën autorisatie gegeven om Gerrit van Kruijl aan te stellen als onderwijzer in de Bodegraafsche Meije.

De Gouverneur van de Provincie Zuid-Holland geeft dit bericht op 3 juli 1823 door aan het plaatselijk bestuur van de gemeente Bodegraven.

Op 1 augustus 1823 meldt de gemeente Bodegraven aan de Gouverneur dat Gerrit van Kruijl de aanstelling heeft geaccepteerd, waarna de Gouverneur op 7 augustus 1823 de minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën hierover inlicht.

Hij wordt dus per 1 augustus 1823 aangesteld op deze school en ook dat wordt in het eerder genoemde tijdschrift vermeld.

Vermelding van Gerrit in "De Nieuwe Bijdragen etc. ".

In de lidmaatregisters van de hervormde gemeente van Bodegraven wordt hij in januari 1824 opgenomen als afkomstig van Elden (gemeente Elden en Driel).

De schoolopziener Mr. Jan Meulman is niet echt enthousiast over de prestaties van Gerrit van Kruijl. Als de opziener in de voorjaarsvergadering van 1826 over het voorafgaande jaar rapporteert, volgt een opsomming van de middelmatige scholen in zijn district. De school in de Bodegraafsche Meije is dan één van de twee scholen die hij bijzonder middelmatig vindt.

Het daaropvolgend verslagjaar (1828) verdient de school, samen met die van Waarder, naar zijn mening de minste lof.

In 1829 moet zich een verandering hebben voltrokken, want de schoolopziener rapporteert dat de school in de Bodegraafsche Meije zich heeft verbeterd.

In de meer gedetailleerde viermaandelijkse verslagen geeft hij ook zijn indruk over de intelligentie van Gerrit van Kruijl. Hij is daarvan in het voorjaar van 1829 kennelijk niet onder de indruk maar "des onderwijzers verstandelijke hoedanigheden zullen zoo verre strekken dat hij genoegzaam is voor eene zoodanige buurtschool". Hij is wel te spreken over de zedelijke hoedanigheden van Gerrit, die "zijn tamelijk wel en beginnen zelfs te verbeteren". In de zomer van 1829 spreekt hij zelfs van "een vrij goed gedrag voor het tegenwoordige. Hij heeft zich van het zwak, om wel iets te veel sterken te drinken, sedert eenigen tijd onthouden en blijft in die verbetering volharden".

Het drankgebruik is mogelijk te verklaren door het overlijden van zijn eerste vrouw eind 1828, waardoor hij ook met de zorg voor twee kinderen achterblijft.

Een nog duidelijker omslag in de waardering voor Gerrit vindt plaats nadat hij met succes examen heeft gedaan voor de tweede onderwijzersrang. Vanaf dat moment wordt Gerrit op het terrein van bekwaamheid, gedrag en staat van het onderwijs duidelijk beter gewaardeerd ("de man is vol ijver en zijn onderwijs is oordeelkundig en doelmatig", "……is het onderwijs voortreffelijk").

Het verschil in onderwijs blijkt uit de vakken die Gerrit onderwijst. Met de derde rang beperkt dit zich tot lezen, schrijven en rekenen. Nadat hij in 1833 zijn tweede rang heeft gehaald, komen daar de vakken aardrijkskunde en vaderlandsche geschiedenis bij. Uit diverse verslagen komt duidelijk naar voren dat de leerlingen niet geregeld naar school gaan. In de zomer en in het najaar is een groot deel van de scholieren benodigd voor veldarbeid.

Vermoedelijk tussen oktober 1850 en mei 1851 begint Gerrit met zijn gezondheid te tobben.

Dit blijkt voor het eerst uit het verslag van mei 1851. De schoolopziener Sleurs meldt "De onderwijzer G. van Kruijl van den 2en rang paart ijver aan geschiktheid, en neemt, niettegenstaande de ziekelijkheid waarin hij thans verkeert, en het zeer geringe inkomen het welk deze school hem oplevert, met veel vlijt zijne betrekking waar".

Op 4 augustus 1851 wordt een soortgelijke mededeling gedaan.

Het toeval wil dat de schoolopziener Sleurs tevens arts was te Bodegraven. Verwacht mag worden dat hij zeker inzicht had in de gezondheidstoestand van Gerrit.

Uiteindelijk meldt het jaarverslag over 1853 nog het overlijden van Gerrit van Kruijl.

Inkomen

Uit de verslagen van de schoolopzieners blijkt regelmatig dat de school Gerrit eigenlijk te weinig inkomsten oplevert. In het voorjaar 1840 rapporteert de schoolopziener dan ook: "de onderwijzer van de buurtschool heeft een al te gering inkomen tot onderhoud van zijn talrijk gezin en daarom een toelage verzocht uit de provinciale kas". Al eerder gaf Gerrit van Kruijl te kennen dat de school hem te weinig schoolgeld opleverde. Zijn eerste poging deed hij al in 1824. Hij signaleerde in een brief aan de gemeente Bodegraven, dat ouders hun kinderen thuishielden vanwege de verplichte vaccinatie met het koepokvirus. Het feit dat die vaccinatie verplicht op scholen gebeurde mocht, vond hij, toch geen invloed hebben op zijn verdiensten. Zijn verzoek om compensatie werd voorgelegd aan de provincie. Die legde dit verzoek op haar beurt weer voor aan de schoolopziener. De schoolopziener vond het een hoop gedoe om niks. Het betrof maar een zeer gering aantal kinderen, terwijl een aantal leerlingen inmiddels ergens anders naar school ging. Met dit antwoord bleef er van zijn kans op compensatie niets over.

Mogelijk had hij bijverdiensten, want tussen 1837 en 1841 wordt een Gerrit Kru(i)l genoemd als ondermeester van de hoofdschool in Bodegraven. Hoogstwaarschijnlijk is dit dezelfde persoon als Gerrit van Kruijl. Uit de raming van de inkomsten van onderwijzers blijkt het inkomen van Gerrit meestal rond de 300 á 350 gulden per jaar te zijn. Andere onderwijzers van grotere scholen (zoals de hoofdschool in Bodegraven) verdienen 3 tot 4 maal meer.

Omdat zijn inkomsten uit de school in de Meijepolder zo laag zijn, dat ze onder het vastgestelde minimum norminkomen van 300 gulden voor onderwijzers liggen, vraagt hij jaarlijks een subsidie van de gemeente Bodegraven. De gemeente Bodegraven vraagt bij de provincie vervolgens toestemming om dat subsidie ten laste van de onvoorziene uitgaven van de gemeentebegroting te mogen brengen. In de regel zijn de Gedeputeerde Staten akkoord met dat voorstel. Voordeel van deze procedure is dat er nu in het archief van het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland originele aanvragen van Gerrit van Kruijl bewaard zijn. Een verzoek alleen gericht aan de gemeente Bodegraven, zou niet meer bewaard zijn gebleven, omdat bijna al het archiefmateriaal van Bodegraven van voor 1870 bij een grote brand in dat jaar verloren is gegaan.

De teruggevonden verzoeken (over de jaren 1825, 1827, 1833, 1835 en 1840) gaan vergezeld van door Gerrit van Kruijl opgestelde staten met het wekelijks ontvangen schoolgeld.

Soms is er in die staten een toelichting opgenomen als er in een aantal weken weinig of geen schoolgeld op ontvangen. In februari en maart 1827 bijvoorbeeld waren gedurende vier weken "wegens de koude en het ijs geene kinderen". Hetzelfde gold ook voor januari en februari 1833. In maart 1835 waren er "deze en volgende weken weinig leerlingen wegens het heerschen der mazelen en roodvonk".

Pas in 1845 wordt het probleem van zijn jaarlijks te laag basisinkomen op een meer structurele wijze opgelost. Gerrit doet op 22 juli 1845 een voorstel aan de gemeente Bodegraven om de jaarlijks aan te vragen aanvulling om te zetten in een - lager - vast tractement. De gemeente Bodegraven vindt dat voorstel een goed idee, het is immers per saldo goedkoper. Gelukkig voor Gerrit was er het verplichte traject met de toestemming van de provincie voorgeschreven. De schoolopziener geeft in zijn advies aan dat de gemeente Bodegraven best iets royaler mag zijn. Gedeputeerde Staten neemt dat advies zelfs zo over, dat in de brief aan de gemeente Bodegraven gevraagd wordt om, als er van de zijde van de gemeenteraad geen bezwaren tegen bestaan, het tractement wat ruimhartiger te verhogen. Na overname van dat advies schrijven de Gedeputeerde Staten aan de gemeente Bodegraven "dat deze vergadering met genoegen heeft ontwaard, dat aan dezelver verlangen in dezen gevolg is gegeven". Concreet betekende dit voor Gerrit dat zijn tractement met 120 gulden per jaar werd verhoogd.

Maar ook al vulde de gemeente Bodegraven zijn inkomen aan (in eerste instantie dus met een subsidie varierend van 70 tot 100 gulden), de financiële zorgen bleven. Gerrit zag zich genoodzaakt om in januari 1839 een brief aan koning Willem I te schrijven, waarin hij om een gratificatie van 100 gulden verzoekt.

Hij motiveert zijn verzoek met een verwijzing naar zijn groot gezin (op dat moment 6 personen) en het feit dat hij in zijn leven veel pech heeft ondervonden. Zo was hij tegen de tijd dat hij zijn tweede onderwijzersrang had behaald (in 1833) al te oud om te kunnen concurreren met jongere collega's. Sollicitaties hadden niets opgeleverd "doordien er jongere personen werden voorgetrokken". Omdat de levensmiddelen zo duur zijn is hij gedwongen zich "op een sobere wijze" te behelpen. Het kabinet van de Koning zorgt er voor dat de ingekomen brief werd doorgezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken, die voor de verdere afhandeling zorg moest dragen.

Geheel volgens de gebruikelijke procedure wordt het provinciaal bestuur om advies gevraagd. De provincie wint vervolgens advies in bij de betrokken gemeente Bodegraven en de schoolopziener van het bijbehorende district. Zij bevestigen de lezing van Gerrit van Kruijl. De schoolopziener beaamt dat Gerrit "een talrijk gezin heeft en dat hij met vele tegenspoeden heeft moeten worstelen, welke niet in zijn magt stonden af te wenden of voor te komen en dat zijne inkomsten geene driehonderd gulden te boven gaan, terwijl hij een beter lot verdiende". Met deze gunstige adviezen stuurt de provincie een positief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken. Op dat departement wordt vervolgens een procedure opgestart om Gerrit bij Koninklijk Besluit een gratificatie toe te kennen. Op 8 maart 1839 bekrachtigt Willem I het Koninklijk Besluit waarmee Gerrit een gratificatie van 100 gulden wordt toegekend.

Dit keer nam het gehele traject van aanvraag en toekenning nog geen twee maanden in beslag. Later kon deze termijn flink oplopen. Gerrit bleef namelijk in financiële nood verkeren en met deze nieuwe inkomstenbron ging hij dan ook wijs om. In totaal zijn er veertien Koninklijke Besluiten achterhaald waarin aan Gerrit van Kruijl een gratificatie van 100 of 75 gulden wordt toegekend. De laatste werd in 1853 door koning Willem III ondertekend, terwijl Gerrit al enige tijd was overleden. In al die gevallen lag er een verzoek van Gerrit aan ten grondslag.

Hij schreef er zelfs meer, maar een aantal werd afgewezen, omdat hij er te snel mee zou zijn gekomen. Dat Gerrit van zo'n afwijzing neerslachtig werd, valt goed te begrijpen, want hoewel zijn aanvraag een aantal maanden na een toekenning werd ingediend, lag dat niet aan een te snelle aanvraag (die was ruim een jaar na de vorige aanvraag ingediend), maar aan een trage verwerking door het ministerie van Binnenlandse Zaken. De veertien Koninklijke Besluiten werden achtereenvolgens door maar liefst drie koningen (Willem I, II en III) ondertekend. De ondertekening door de verantwoordelijke bewindsman vond de laatste vier maal (1850 tot en met 1853) plaats door minister van Binnenlandse Zaken Thorbecke.

De nieuwe verzoeken varieren op steeds terugkerende argumenten zoals het talrijk gezin, zijn bekrompen omstandigheden, het niet dan met de grootste zorg zijn gezin voor gehele ondergang bewaren, enz. Zowel de brieven als de adviezen geven soms een kleine inkijk in zijn persoonlijke omstandigheden. Soms was er sprake van ziekten in het gezin, zwangerschap van zijn vrouw en het feit dat hij schulden had uitstaan bij leveranciers.

De school in de Meijepolder

De betreffende school stond buiten het dorp in de Mijepolder, zoals ook te zien is in het fragment van de kaart van Bodegraven in de gemeente-atlas van 1869.

De school in de "Bodegraafsche Meije"(gemeente-atlas 1869).

Verder is goed te zien dat zich bij de kern van Bodegraven nog twee andere scholen bevinden. Ook deze scholen komen in de verslagen van de schoolopzieners regelmatig voor. In de periode dat Gerrit van Kruijl er les gaf, was de school in de Meije er één van de laagste rang. De school was ooit opgericht door het bestuur van de Meije polder en lag dichter bij de dorpskern van Nieuwkoop. Voor de gemeente Bodegraven had die school geen hoge prioriteit, maar omdat het op haar grondgebied lag, werd zij door de provincie wel steeds aangesproken op de toestand van het onderwijs en de staat waarin de school en onderwijzerswoning zich bevonden. Overigens werd de verwarming door de gemeente betaald, de verlichting moest door de leerlingen van de avondschool zelf worden betaald.

De school in de Bodegraafsche Meije bevindt zich volgens een opmerking van de schoolopziener in 1826 "in eenen elendigen staat". Voor het herstel is daarom 600 gulden subsidie gevraagd bij het Gouvernement. Hoeveel het subsidiebedrag uiteindelijk is geworden blijft onbekend. Feit is dat over het verslagjaar 1827 melding wordt gemaakt van aanzienlijke reparaties aan de school en onderwijzerswoning met een door het Gouvernement geschonken belangrijke bijdrage in de kosten.

De waardering voor het schoolgebouw en de onderwijzerswoning wordt vanaf 1844 minder. In 1844 en 1845 verkeren zij in slechte staat, in 1846 en 1847 in een zeer slechte staat. Daarom wordt door de schoolopziener aangedrongen op nieuwbouw.

Op 5 juli 1847 spreekt de Gouverneur van de provincie Zuid-Holland de gemeente Bodegraven hier op aan. De eerste reactie van de gemeente Bodegraven bestaat uit het afschuiven van de verantwoordelijkheid. Volgens haar is het een "particuliere inrigting" die door de ingelanden van de polder is gebouwd en onderhouden. Verder is het ook nog eens dichter bij het dorp Nieuwkoop dus een bijdrage van die gemeente zou billijk zijn. Nieuwkoop ziet daar geen kans toe, omdat daar net een nieuwe school was gebouwd. De provincie is heel duidelijk in haar reactie: zonder bijdrage van betrokken gemeenten wordt geen subsidie verstrekt. De gemeente Bodegraven sputtert nog wat tegen: de dorpsomslag is al zo hoog en de gemeentekas al zo leeg.

Pas in maart 1848 is de gemeente Bodegraven bereid de voorbereidingen te treffen. In mei van dat jaar ligt er een tekening, bestek en begroting in de gemeenteraad.

De provincie is bereid een subsidie te verstrekken van drie kwart van de begroting (3.200 gulden) met een maximum van 2.400 gulden. De provincie heeft ook nog een opmerking over de bouwtekening. In de oorspronkelijke tekening was een deur voorzien tussen de onderwijzerswoning en het schoollokaal. Op advies van de "Hoofd Ingenieur van den Waterstaat" zal die moeten verdwijnen omdat met die deur "eene communicatie tusschen het schoollocaal en de onderwijzerswoning wordt daargesteld, waarvan ten nadeele van het onderwijs kan worden gebruik gemaakt en uit dien hoofde behoorde te worden gesupprimeerd". Met andere woorden: Gerrit zou te gemakkelijk even naar huis kunnen glippen. Bodegraven vraagt en krijgt in augustus 1848 nog toestemming om het bestek iets aan te mogen passen. Het blijkt namelijk niet mogelijk om nog voor de winter het gebouw af te kunnen ronden. De werkzaamheden voor de winter blijven beperkt tot het heiwerk en de fundamenten. In het vroege voorjaar kan dan de bouw voortgezet worden.

Op 25 september 1848 vindt dan eindelijk de openbare aanbesteding plaats. Onverwacht was de grote belangstelling. Maar liefst 36 inschrijvingen kwamen voor het project binnen. Na het afmijnen werd de opdracht voor 2.630 gulden gegund aan E. Jansen, timmerman uit Bodegraven. De gemeente Bodegraven was blij verrast met de lage aanneemsom. De architect had al aangegeven dat, ook gelet op de opkomst uit de grote steden, de ambachtslieden kennelijk om werk verlegen zitten, aangezien ze bij zo een prijs nauwelijks de materiaalkosten kunnen goedmaken.

In oktober 1849 wordt de school opgeleverd. De "Ingenieur van de Waterstaat in de provincie Zuid-Holland" Antonie Greve verklaart dat de school en onderwijzerswoning volgens het bestek en tekening zijn gemaakt. De aan de gemeente Bodegraven toegezegde subsidie van 1.970 gulden kan worden uitbetaald.



VIII.2. Jan van Kruijl, gedoopt Utrecht (Catharijnekerk) 13 oktober 1799, overleden Utrecht 14 december 1871 (acte-nr.: 2586), woonachtig te Utrecht: Lange Smeesteeg (1799-?), Walsteeg (1813), Jufferstraat (1818, 1820), Springweg (1821), Molensteeg (1824 .. 1851), Slijkpoort (1851), Fockestraat (1871), Kleermaker (1818-?), Schoenmaker (1871), ondertrouwt Utrecht 20 oktober 1822, trouwt Utrecht 6 november 1822 (acte-nr.: 241) Sara Maria Drinkenberg, gedoopt Utrecht (Domkerk) 29 juli 1801, overleden Utrecht 27 oktober 1850 (acte-nr.: 969).

Uit dit huwelijk

VIII.2.a. Jan van Kruijl, geboren Utrecht 6 augustus 1820 (acte-nr.: 725), woonachtig te Utrecht: Zandstraat (±1851), Mijlpoort (±1851), Militair (1839-1851), Kleermaker (±1851), Schoenmaker (±1851).

VIII.2.b. Barend Gijsbert van Kruijl;  zie IX.6

VIII.2.c. Wilhelmina Maria van Kruijl, geboren Utrecht 15 november 1824 (acte-nr.: 1309), overleden Utrecht 20 oktober 1826 (acte-nr.: 883).

VIII.2.d. Wilhelmina Maria van Kruijl, geboren Utrecht 1 februari 1827 (acte-nr.: 157), overleden Utrecht 14 november 1829 (acte-nr.: 1265).

VIII.2.e. Maria (Jacoba) van Kruijl, geboren Utrecht 18 februari 1829 (acte-nr.: 243), overleden Utrecht 21 januari 1893 (acte-nr.: 136), woonachtig te Utrecht: Fockestraat (1850-1877), Lange Roozendaal (1877-1878), Suikerstraat (1878- ), ondertrouwt Utrecht 23 december 1849, trouwt Utrecht 2 januari 1850 (acte-nr.: 4) Leendert Nesselaar, geboren Utrecht 26 augustus 1828 (acte-nr.: 1084), overleden Utrecht 2 januari 1902 (acte-nr.: 40), Pottebakkersknecht.

VIII.2.f. Franciscus van Kruijl, zie IX.7.

VIII.2.g. Gerrit van Kruijl, geboren Utrecht 20 april 1833 (acte-nr.: 423), overleden Utrecht 30 oktober 1835 (acte-nr.: 1074).

VIII.2.h. Wilhelmina van Kruijl, geboren Utrecht 6 januari 1836 (acte-nr.: 35), overleden Utrecht 8 februari 1903 (acte-nr.: 236), woonachtig te Utrecht: Geertekerkhof (1860-1864), Jufferstraat (1864-1877), Oude Gracht (1877- ), ondertrouwt Utrecht 13 november 1859, trouwt Utrecht 30 november 1859 (acte-nr.: 423) Dirk de Bruijn, geboren Utrecht 5 maart 1840 (acte-nr.: 289), overleden Utrecht 21 november 1927 (acte-nr.: 1607), Schoenmaker.

VIII.2.i. Cornelia Petronella van Kruijl, geboren Utrecht 6 april 1838 (acte-nr.: 502), overleden Utrecht 2 april 1840 (acte-nr.: 461).


VIII.2.j. Dirk van Kruijl, geboren Utrecht 22 december 1840 (acte-nr.: 1582), overleden Utrecht 18 augustus 1843 (acte-nr.: 731).

Jan woont vermoedelijk al vanaf 1811 niet meer bij zijn ouders. In 1813 vinden we hem als "bestedeling" vermeld. Hij woont dan bij familie van zijn moeder. Op 18-jarige leeftijd wordt hij ingeschreven in de militieregisters en op moment is hij ongeveer 1,70 m. lang, heeft hij een smal gezicht, een hoog voorhoofd, blauwe ogen, een gewone neus en mond, een ronde kin, blond haar en zwarte wenkbrauwen. Hij dient vanaf 23 april 1818 tot en met 15 maart 1823 als fusilier. Hij doet op 4 januari 1821 belijdenis. Al in 1820 en 1822 krijgen hij en Maria Drinkenberg 2 kinderen (Jan en Barend Gijsbert), die later bij het huwelijk geëcht worden. Jan is kleermaker al wordt hij later, mogelijk foutief, ook een keer aangemerkt als schoenmaker.

Zijn zoon Jan is eveneens kleermaker en na een periode als militair (1839 - 1851) wordt hij daarna nog aangeduid als kleermaker en schoenmaker. Zo tussen 1850 en 1860 verdwijnt hij en na 1860 ontbreekt verder ieder spoor.

Voor de zoon Barend Gijsbert ligt een militaire loopbaan in het verschiet, Franciscus werd schoenmaker.