van Kruijl.com

van Kruijl - Generatie 7

VII.1. Johannes van Kruijl, gedoopt Utrecht (Catharijnekerk) 27 juli 1760, overleden Utrecht 10 juli 1824 (acte-nr.: 508), woonachtig te Utrecht Korte Smeesteeg, Buurkerkhof (1813, 1824), Koopman in nieuwe IJzerwaren, Smid (gesepareerd van Anna Margaretha Spee per 5 augustus 1797 volgens acte genoemd bij haar overlijden), trouwt 1e Utrecht (Catharijnekerk) 31 juli 1792 Cornelia Pinken, gedoopt Utrecht (Walsteeg) 29 oktober 1763, overleden Utrecht 1 april 1795 (datum van aangifte bij de Momboirkamer 14 april 1795), begraven Utrecht (Nicolaikerk) 7 april 1795, trouwt 2e Utrecht (Buurkerk) 5 mei 1796 Anna Margaretha Spee, gedoopt Utrecht (Jacobikerk) 18 augustus 1771, overleden Utrecht 17 juli 1811 (acte-nr.: 42).

Uit het 1e huwelijk:

VII.1.a. Gerrit van Kruijl, gedoopt Utrecht (Catharijnekerk) 5 mei 1793, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 1 september 1794, begraven Utrecht (Nicolaikerk) 21 augustus 1794.

VII.1.b. Gerrit van Kruijl; zie VIII.1.

Uit het 2e huwelijk:

VII.1.c. Johanna van Kruijl, gedoopt Utrecht (Buurkerk) 2 april 1797, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 22 mei 1797, begraven Utrecht (Buurkerk) 17 mei 1797.

VII.1.d. Jan van Kruijl; zie VIII.2.

Opmerkelijk is dat van Johannes zo weinig concreets bekend is. Hij woont in 1813 bij zijn vader Gerrit in de Buurkerkhof, echter zonder beroep. In 1815 en 1816 wordt hij, bij de inschrijving in de militieregisters van zijn zoon Gerrit, aangeduid als smid en in 1817 juist weer als "buiten beroep". Kort daarop in 1818 blijkt uit de inschrijving in de militieregisters van zijn zoon Jan dat hij doodgraversknecht is. Voor die tijd heeft hij in de Korte Smeesteeg gewoond. Hij is dan nog smid. Hij woont nog een korte tijd in de Lange Smeesteeg en vervolgens weer in de Korte Smeesteeg.

Op enig moment lijkt hij, vermoedelijk tussen 1795 en 1803, niet meer als zelfstandige in staat het beroep van smid uit te voeren. Weliswaar komt in de patentregisters tussen 1806 en 1811 een Johannes van Kruijl voor, doch dat is naar alle waarschijnlijkheid zijn neef (diens vrouw betaalt in 1806 namelijk op exact dezelfde datum als Johannes van Kruijl). In 1795 wordt hij aangesteld als smid van de Buurkerk, in 1805 wordt zijn vader echter van die taak ontheven. Het is natuurlijk mogelijk dat Johannes alleen in naam de smid van de kerk was en dat vader Gerrit achter de schermen daadwerkelijk de touwtjes in handen had. Vraag blijft waarom Johannes in 1803 al bij zijn vader woonde.

Het kan haast niet anders dan dat Johannes als doodgraversknecht bij zijn vader in dienst moet zijn geweest. Het tekent zijn levenslange afhankelijkheid van zijn vader Gerrit. Zowel de inwoning als zijn werkzaamheden als smid(sknecht) en later als doodgraversknecht lijken daar in elk geval op te wijzen.

Zijn tweede vrouw verliet de echtelijke woning in de Lange Smeesteeg begin 1802, dat blijkt uit het lidmatenregister. Helaas wordt haar bestemming niet vermeld. Bij haar overlijden in 1811 blijkt zij bij haar zwager in de Briettesteeg te wonen. Al eerder, namelijk in 1797, moet er een acte zijn opgesteld waarin wordt vermeld dat het echtpaar is gesepareerd. Die acte blijkt thans echter onvindbaar dus een motivatie ontbreekt. Toch krijgen zij daarna in 1799 nog een kind. Bij zijn overlijden wordt hij ook nog aangeduid als weduwnaar, dus kennelijk was het huwelijk niet door echtscheiding beëindigd.

Het gezin woont dus al gesplitst; Johannes woont bij zijn vader, Anna Margaretha woont elders, zoon Gerrit woont in 1811 nog bij zijn grootvader, zoon Jan tenslotte woont in 1813 bij familie van zijn moeder.

Het blijft speculeren maar het kan dat Johannes fysiek of geestelijk niet meer in staat was zijn gezin te onderhouden. Bedacht moet worden dat het ook mogelijk was, dat de teruglopende inkomsten uit de smederij voor een zodanige armoede hebben gezorgd dat de familie wel bij elkaar moest kruipen. Tenslotte had zijn vader Gerrit ook al zijn onroerend goed verkocht en resteerde bij zijn overlijden niet veel aan bezittingen en deze waren onvoldoende om zijn uitstaande schulden te kunnen voldoen.

Handtekeningen van Gerrit en Jan van Kruijl onder de memorie van successie.

De ondertekening van de "memorie van aangifte van den boedel en nalatenschap" van Johannes van Kruijl uit 1824, vindt plaats door zijn twee zoons, Gerrit en Jan. Duidelijk is te zien dat beiden goed konden schrijven, hetgeen overigens voor Gerrit (als onderwijzer) ook wel als vanzelfsprekend mag worden beschouwd.


VII.2. Gerrit van Kruijl, gedoopt Utrecht (Domkerk) 18 november 1763, overleden voor 4 september 1802, woonachtig te Utrecht, trouwt Maria Stigter.
 

Uit dit huwelijk:

VII.2.a .Pieter Kruijl, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 13 september 1802, begraven Utrecht (Buurkerk) 4 september 1802.

Van dit gezin is hoegenaamd niets bekend. De doop van Gerrit en het overlijden van diens zoon is alles wat tot op heden van dit gezin kon worden opgespoord.


VII.3. Hendrickus van Kruijl, gedoopt Utrecht (Domkerk) 24 februari 1769, overleden 2 oktober 1799, Winkelier, trouwt september 1791 Jacomina Lubré, gedoopt Utrecht (Domkerk) 26 augustus 1764.
 

Uit dit huwelijk:

VII.3.a. Gerarda Catharina Lena van Kruijl, geboren Utrecht 10 september 1792, gedoopt Utrecht (Jacobikerk) 13 september 1792, overleden Haarlem 12 januari 1864, woonachtig Utrecht, Deventer, Haarlem.

VII.3.b. Wilhelmina Geertruida Johanna van Kruijl, geboren Utrecht 16 februari 1794, gedoopt Utrecht (Domkerk) 20 februari 1794, overleden Haarlem 8 juni 1875 (acte-nr.: 482), woonachtig Utrecht, Haarlem, trouwt 1e Utrecht 2 juni 1819 (acte-nr.: 105) Barend van Sluyters, geboren Haarlem 25 oktober 1794, overleden Haarlem 31 januari 1834, Adjunctcommies bij het Gouvernement van Noord-Holland, trouwt 2e Haarlem 17 december 1834 Carsten Nicolaas Rustman, geboren Amsterdam 9 september 1781, gedoopt Amsterdam 14 september 1781, overleden Haarlem 25 mei 1875, Banketbakker.

VII.3.c. Gerrit Hendrikus van Kruijl, gedoopt Utrecht (Buurkerk) 10 april 1796, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 23 oktober 1797, begraven Utrecht (Buurkerk) 15 oktober 1797.

Hendrickus heeft vermoedelijk een rol gespeeld in de Utrechtse Patriottenbeweging (zie ook bij zijn vader Gerrit) en is vervolgens gevlucht in 1787. In 1787 en 1788 werd hij door de franse regering financieel ondersteund als gevluchte patriot (feitelijk een soort politieke vluchteling).

Hij verbleef vervolgens nog korte tijd in Utrecht. Hij verliet Utrecht samen met zijn vrouw vermoedelijk rond 1799 met onbekende bestemming. Als zijn vader overlijdt, wordt een inventaris opgemaakt. Daaruit blijkt dat Hendrickus op 2 oktober 1799 is overleden. De plaats van overlijden is niet vermeld. Zijn zoon Gerrit Hendrikus overlijdt nog voor het eerste levensjaar.

Zijn dochter Wilhelmina Geertruida Johanna trouwt twee maal. Een eerste huwelijk in 1819 met Barend van Sluyters. Na het overlijden van haar eerste echtgenoot hertrouwt zij binnen een jaar met Carsten Nicolaas Rustman. In 1875 overlijdt Wilhelmina Geertruida Johanna twee weken na haar echtgenoot.

Huwelijksadvertentie van W.G.J. van Kruijl.

Gerarda Catharina Lena woont in 1811 bij haar grootvader Gerrit, als zij samen met haar neef Gerrit belijdenis doet. In 1813 woont zij niet meer in Utrecht, maar vermoedelijk bij haar oom en tante in Deventer. In 1825 woont zij in ieder geval bij haar tante Johanna in Deventer (zie de memorie van aangifte der nalatenschap van Gerrit van Kruijl). In 1827 blijkt zij korte tijd bij haar tante Catharina van Kruijl te wonen (zie het testament van Catharina). Vervolgens woont zij weer bij haar oom en tante in Deventer en wanneer die zijn overleden, trekt zij in bij haar zus in Haarlem, waar zij in 1864 overlijdt.



VII.4. Hendrik van Kruijl, gedoopt Utrecht (Jacobikerk) 23 augustus 1772, overleden Utrecht 12 oktober 1849 (acte-nr.: 2592), woonachtig te Utrecht in de Sint Annastraat (= de Vuilsteeg) 18, Smid, ondertrouwt Utrecht 4 mei 1800, trouwt Utrecht (Domkerk) 22 mei 1800 Johanna Edelkoort, gedoopt Utrecht (Catharijnekerk) 8 juli 1777, overleden Utrecht 25 april 1855 (acte-nr.: 624).
 

Uit dit huwelijk:

VII.4.a. Hendrik van Kruijl, gedoopt Utrecht (Domkerk) 20 februari 1801, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 14 september 1801, begraven Utrecht (Buurkerk) 9 september 1801.

VII.4.b. Hendrika van Kruijl, gedoopt Utrecht (Jacobikerk) 28 november 1802, overleden Utrecht 24 april 1862 (acte-nr.: 566), woonachtig te Utrecht aan de Oudegracht (bij de Smeebrug) 33, Naaister, ondertrouwt Utrecht 16 juli 1843, trouwt Utrecht 26 juli 1843 (acte-nr.: 191) Gerardus Scherff, gedoopt Utrecht (Domkerk) 18 oktober 1801, overleden Hamburg tussen 24 april 1862 en 3 december 1871, (Rijtuig)schilder.

VII.4.c. Hendrik van Kruijl, gedoopt Utrecht (Domkerk) 1 februari 1805, overleden Utrecht 24 mei 1871 (acte-nr.: 1628), woonachtig te Utrecht, Meestersmid (Hij is ongehuwd gestorven).

VII.4.d. Johannes van Kruijl, geboren Utrecht 8 april 1807, gedoopt Utrecht (Domkerk) 15 april 1807, overleden Utrecht 26 april 1816 (acte-nr.: 397).

Hendrik van Kruijl krijgt met zijn vrouw Johanna Edelkoort vier kinderen. Twee kinderen overlijden al jong. Zijn enige volwassen zoon Hendrik zet de traditie voort van het smidsberoep en is daarmee de vierde generatie. In deze tak sterft de naam "van Kruijl" overigens uit, want zijn zoon Hendrik blijft ongehuwd en kinderloos.

Ondertekening van deze acte.

VII.5. Elisabeth van Kruijl, gedoopt Utrecht (Geertekerk) 5 juni 1774, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 9 mei 1808, begraven Utrecht (Nicolaikerk) 3 mei 1808, woonachtig te Utrecht in de Mariastraat, Buurkerkhof (Zij is ongehuwd gestorven).
 

Uit onechtelijke relatie:

VII.5.a. N.N. van Kruijl, geboren op of voor 19 juli 1799, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 2 september 1799, begraven Utrecht (Buurkerk) 25 augustus 1799.

Elisabeth wordt op haar tiende wees als in 1784 haar moeder sterft, nadat haar vader al eerder in Batavia was overleden. Zij wordt daarom opgenomen in het Burgerweeshuis, waar zij in 1792 belijdenis doet. In 1799 overlijdt haar buitenechtelijk - ongedoopte - kind. Zij komt voor "onecht baren" onder toezicht van de kerk te staan en dat blijft zo tot aan haar dood. Elisabeth overlijdt zelf op 41-jarige leeftijd in 1808.