van Kruijl.com

van Kruijl - Generatie 5

V.1. Jan van Kruijl, gedoopt Utrecht (Buurkerk) 13 juli 1703, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 15 februari 1762, begraven Utrecht (Nicolaikerk) 7 februari 1762, woonachtig te Utrecht in de Strooisteeg, Catharijnesteeg, Springweg, Korte Smeesteeg, Meerstersmid (Grofsmid en Huisslotenmaker), ondertrouwt Utrecht 21 juni 1737, trouwt Utrecht (Catharijnekerk) 9 juli 1737 Elisabeth Kalf, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 24 april 1769, overleden Utrecht 13 april 1769, begraven Utrecht (Nicolaikerk) 14 april 1769.

 Uit dit huwelijk:

V.1.a. Gerrit van Kruijl; zie VI.1.

V.1.b. Hendrik Jansen van Kruijl; zie VI.2.

V.1.c. Johannes van Kruijl; zie VI.3.

V.1.d. Lijsbeth van Kruijl, gedoopt Utrecht (Catharijnekerk) 25 juli 1747, overleden na 5 mei 1767.

V.1.e. N.N. van Kruijl, overleden Utrecht (datum van aangifte bij de Momboirkamer) 10 augustus 1750, begraven Utrecht (Jacobikerk) 2 augustus 1750.

V.1.f. Nicolaas (Bastiaan) van Kruijl; zie VI.4.

V.1.g. Gijsbertus van Kruijl; zie VI.5.

Jan van Kruijl wordt al op jonge leeftijd wees als zijn ouders in 1709 vlak na elkaar overlijden. Als blijkt dat noch familie, noch bekenden van zijn vader bereid of in staat zijn de opvoeding van Jan en zijn twee jonge zusters op zich te nemen, worden de kinderen in het stadskindertehuis geplaatst.

In het Ambachtskinderhuis (zoals het stadskindertehuis bekend stond), de naam zegt het eigenlijk al, moest Jan al vroeg werken. Eind 1711 wordt hij voor 2 jaar uitbesteed bij een knoopmaker. In 1714 wordt hij wederom voor 2 jaar uitbesteed bij een andere knoopmaker. Van 1717 tot en met 1721 werkt hij voor de smid Abraham Wickenburg. In 1722 en 1723 is Adolph Reppel zijn baas. Voor de werkzaamheden van de achtjarige wees moet door de baas in 1711 24 stuivers (ook toen gingen er 20 stuivers in 1 gulden) per maand aan het Ambachtskinderhuis afgedragen worden. Aan de hand van zijn verdiensten in 1712 (30 stuivers), 1714 en 1715 (26 stuivers), 1717 (24 stuivers), 1718 (28 stuivers), 1719 (32 stuivers), 1720 (40 stuivers), 1721 (42 stuivers), 1722 (48 stuivers) en 1723 (52 stuivers) is ook een beeld te krijgen van zijn progressie in de loop der jaren.

In mei 1729 verlaat Jan het Ambachtskinderhuis met een uitzet (bij het verlaten van het Ambachtskinderhuis kreeg het "kind" een uitzet mee. Uit 1746 is een lijst van een dergelijke uitzet bewaard gebleven. "Uijtset voor de jongens: een rok en broek, een rood consaje hemtrok, een hoed, een paar schoen, 6 hemden, 4 dassen, 1 schootsvel." [G.A. Utrecht, Stadsarchief II, inv.nr. 1882; Aantekeningen betreffende uitzetten der kinderen bij het verlaten van het Ambachtskinderhuis 17e en 18e eeuw]).

In het Ambachtskinderhuis verwordt zijn achternaam al gauw tot "Verkruijl". Opmerkelijk is dat later alleen in het smedengilde zijn achternaam (en die van zijn zoons Gerrit en Hendrik) op die wijze wordt geschreven.

Het eerstvolgende levensteken van Jan vinden we pas weer in 1737 bij zijn huwelijk met Elisabeth Kalf.

Smid (uit: Jan Luijken, 1693; Het menselijk bedrijf).

Uit de aankoop van een woning annex smederij in 1744 volgt de aanwijzing dat Jan meestersmid was. Uit de rekeningen van het Smedengilde blijkt vervolgens dat hij op 21 november 1740 tot het gilde werd toegelaten ("heeft zijn gilt gewonnen"), en dat hij op diezelfde dag ook nog met succes zijn meesterproef als grofsmid en huisslotenmaker afsloot (men was meestal 2 jaar leerjongen bij een baas (meester). Na die leertijd werd men gezel. Soms verliet een gezel zijn geboorteplaats om zich elders verder in zijn vak te bekwamen. Een gezel mocht zijn opleiding als voltooid beschouwen nadat hij een proefstuk had vervaardigd, het meesterstuk. Als hij ook nog voldoende kapitaal vergaard had, vestigde hij zich als zelfstandig ambachtsman en werd vervolgens gildebroeder.).

In de rekeningen zijn verder geen concrete aanwijzingen te vinden waaruit blijkt dat hij in Utrecht bij een meester in de leer was. Officieel is hij dus nooit gezel geweest. Wel heeft hij via het Ambachtskinderhuis het vak kunnen leren. Met name Abraham Wickenburg, die blijkens de rekeningen van het smedengilde zelf ook grofsmid en huisslotenmaker was, zal hem het vak hebben bijgebracht.

In de jaren 1743, 1744, 1746 en 1747 had Jan zelf een jongen in de leer. In latere jaren wordt geen melding gemaakt van leerjongens bij Jan. Gezien de samenstelling van zijn gezin ligt dit voor de hand (voor een zoon als leerjongen hoefde geen vergoeding te worden afgedragen aan het Smedengilde.

Rond 1750 zijn de oudste twee zoons oud genoeg om de eerste beginselen van het vak van hun vader te leren. Nicolaas (Klaas) was kortstondig in de leer bij een pompenmaker. Gerrit en Hendrik worden later beiden grofsmid en huisslotenmaker. Ook dit pleit er voor dat de twee zoons bij hun vader in de leer zijn geweest.

Jan was 37 voor hij meestersmid kon worden. Uiteraard heeft hij veel tijd verloren door zijn verblijf in het tehuis. Zijn twee zoons waren heel wat eerder meestersmid (Gerrit toen hij 24 was, Hendrik vlak voor hij 24 werd).

Hij woont afwisselend korte tijd in de Strooisteeg (1737), de Catharijnesteeg (1738) en de Springweg (1740). In 1744 schaft Jan voor 800 gulden een huis aan in de Korte Smeesteeg. Dit pand is belast met een plecht (een soort hypotheek) van 600 gulden. Samen met de belasting van de 40e penning moet Jan dus 220 gulden contant betaald hebben. Gelet op de verdiensten in die tijd moet hij daar toch enige tijd voor hebben gespaard. Zowel Jan als zijn vrouw zullen er tot hun dood blijven wonen. Dit huis komt na zijn dood in bezit van zijn oudste zoon Gerrit. Gerrit neemt dit pand, inclusief de plecht van 600 guldens, bij de boedelscheiding in 1767 over. Hij verplicht zich daarbij tot de uitkoop van zijn broers en zuster, die daar elk 3 guldens voor kregen.

De zuidzijde van de Korte Smeesteeg rond 1750.

Op basis van huizentransporten en gebruikmakend van het gepubliceerde archeologisch en bouwkundig onderzoek in Utrecht naar de toestand van de panden in de Korte Smeesteeg, kan een reconstructie van de zuidzijde van die straat worden gemaakt. Het huis dat Jan in de straat bezat, is in de afbeelding met een pijl aangegeven.

Na het overlijden van zijn weduwe worden de zoons Nicolaas Bastiaan en Gijsbertus medio mei 1769 opgenomen in het Burgerweeshuis. Nicolaas Bastiaan loopt daar begin 1774 weg en zal na een huwelijk en de geboorte van zijn dochter vertrekken naar Batavia. Gijsbertus verlaat het Burgerweeshuis in april 1775 en krijgt een uitgebreide uitzet mee omdat hij bereid was als soldaat met de Verenigde Oostindische Compagnie naar Batavia te vertrekken. Beide broers overlijden daar.